Nieuwe Architectonische invullingen in/bij monumenten

Intro

This is a yearly lecture given as part of the course Education in Heritage (Educatie in Erfgoed) at University of the Netherlands Antilles.

Nieuwe Architectonische invullingen in/bij monumenten

The two work so well together that casual passer-by might not even notice that the old ruin has been radically transformed and given new life…
An exemplary synthesis has been created between old and new that should be an example to more timid and mincing renovation architects.(AR 2004-02 page 34)

Inleiding
Het is mogelijk dat u na het lezen van deze tekst meer vragen dan antwoorden hebt. Ik pretendeer niet de oplossing voor de nieuwe invullingen voor de Binnenstad te hebben. Ik zal mijn mening en ideeën over hoe ik met deze materie omga met jullie willen delen, en mogelijk kan dit inspireren tot hoogwaardige nieuwe architectonische invullingen in de binnenstad.

Regels en architectuur
Er is geen verzameling van regels of voorschiften die kunnen aangeven hoe je een eigentijdse invulling moet ontwerpen in een historische omgeving. Niets in de architectuur is per definitie goed of slecht. Als ontwerper bepaal je eerst welke beleving je wilt overbrengen (het concept) en gaat vervolgens de middelen zoeken die dat bereiken.

Regels, zoals bijvoorbeeld vastgesteld in artikel 4 van het EOP, kunnen richting geven, maar zijn absoluut geen garantie voor kwaliteit. Deze regels beschermen hooguit tegen bepaalde excessen. Want het is mogelijk om een gebouw te maken dat volledig aan alle regels van artikel 4 voldoet, maar monsterlijk tussen de rest van de bebouwing staat, en het is ook mogelijk om een gebouw te maken dat niet aan de regels voldoet maar naadloos aansluit op de omgeving. Architectonische kwaliteit laat zich maar zeer beperkt in regels vastleggen.

Ook in Nederland stoeit men al meer dan een eeuw met het reguleren van architectonische kwaliteit. De eerste schoonheidscommissie werd in 1898 in Amsterdam opgericht. Het was tot aan het begin van de 21ste eeuw soms subjectief, welk plan wel en welk plan niet door de welstand kwam. Per 1 juli 2004 moesten alle gemeenten in Nederland een nieuwe welstandsnota hebben waarin toetsbare criteria in opgenomen waren, om de welstand objectiever te maken.

Maar ook in deze nieuwe opzet blijf je met de vraagstukken zitten zoals:
- wat is mooi?
- wat past naast elkaar?
- welke kleuren zijn aanvaartbaar?
- etc. etc.
Ondanks alle goede bedoelingen van de welstand lukt het in Nederland ook maar zeer beperkt om de architectonische kwaliteit te waarborgen. Er zijn ondertussen verschillende projecten in Nederland (o.a. de zelfbouwkavels op IJburg in Amsterdam) waar geen welstandsbepalingen op van toepassing zijn. Het resultaat is zeker niet slechter dan bij projecten waar er wel welstandbepalingen gelden.

Curaçao heeft ook een welstandcommissie gekend, in de 1935 opgericht en in de jaren 50 langzaam uitwerking getreden.

Een oplossing die redelijk succesvol is, is het benoemen van een stadsarchitect, voor de hele stad of delen daarvan. Wat houdt de functie stadsarchitect in?
Ieder plan in het plangebied van de stadsarchitect zal door hem worden getoetst. Vriendelijker gesteld, de stadsarchitect begeleidt de architecten die binnen zijn plangebied werkzaam zijn.
Zou een stadsarchitect mogelijk zijn voor onze Binnenstad van Curaçao?
Wie zou het dan moeten zijn?
Hoelang mag hij of zij deze functie maximaal bekleden?
Aanvaarden de locale architecten de autoriteit van een stadsarchitect?

Ook een stadsarchitect is geen wondermiddel. De kans op succes is het grootst als wij het bewustzijn over kwaliteit van architectuur in het algemeen en monumenten in het bijzonder weten te verhogen. Dit zal leiden tot een beter gespecificeerde vraag van de opdrachtgever, en dat zal de architecten stimuleren (mogelijk zelfs dwingen) tot betere architectuur te komen. Goed opdrachtgeverschap is een belangrijke voorwaarde voor goede architectuur.

Het Eilandelijk Ontwikkelingsplan artikel 4
Veel lokale architecten klagen over dit artikel van het EOP, als ware het realiseren van eigentijdse invullingen in de Binnenstad onmogelijk maakt. Ik zal een aantal punten van dit artikel hier behandelen om te kijken wat de invloed van dit artikel is.

4.2.c. Bebouwing mag het aanzicht van de Binnenstad niet verstoren.
Als ontwerper wil je meestal niet dat je creatie verstoord, mogelijk wel dat het opvalt. Is het te definiëren wanneer een gebouw het aanzicht van de Binnenstad verstoort? De Eiffeltoren werd in eerste instantie ook gezien als een verstoring van de binnenstad van Parijs, kunnen we ons nu een Parijs zonder Eiffeltoren voorstellen? Kan (mogelijk moet) iedere binnenstad niet een aantal “verstoringen” (landmarks) hebben, en is de architectonische kwaliteit van de verstoring niet veel maatgevender dan de verstoring zelf?

4.4.a. De bebouwing moet in geval van behoud en herstel van de bestaande bebouwing en/of bij vervangende nieuwbouw passen in de volgende omschrijving:
1. perceelindeling
2. bouwhoogte
3. gevelbreedte
4.gevelindeling, horizontale en verticale gevelindeling.
In de bovenstaande punten kan ik begrijpen het geen niet betekend dat ik er altijd mee eens ben.
Het huis van de gouverneur in fort Amsterdam bijvoorbeeld is voor wat betreft perceel indeling, gevelbreedte en gevelindeling van een andere schaal maar past goed in het stadsbeeld.

5. gebruik bouwmaterialen:
De bebouwing dient overwegend van steen te zijn en gestuct. Bebouwing van overwegend hout blijft toegestaan, indoen ter plaatse reeds overwegend houten bebouwing aanwezig is. Bouwwerken moeten geverfd worden. Zowel houten als stenen gevels moeten worden geverfd.

Het interessante en verassende van Otrabanda is juist dat er ineens een houten gebouw tussen de stenen gebouwen staat, bijvoorbeeld de houten huisjes in Kura Hulanda.
Dat alles geschilderd moet worden, zeker bij nieuwbouw, vind ik bedenkelijk. Het is juist een kwaliteit van onze tijd dat wij in staat zijn materialen te conserveren, verduurzamen zonder dat ze geschilderd hoeven te worden. Gedacht kan worden aan thermisch verzinkt staal en plato hout.

6. dakvorm en de aard van de dakbedekking:
De bestaande dakvormen dienen in principe te worden gehandhaafd. De bebouwing dient voorzien te zijn van een kap. De dakschilden dienen te worden afgedekt met pannen, geschilderde dakplaten of hoogwaardige materialen.

Is deze dakvorm altijd zo essentieel?
Veel van onze monumenten staan aan smalle straten en stegen, waardoor het dak vaak niet zichtbaar is. In de Neo-Classicistische architectuur ging men juist schilddaken toepassen zodat men het gebouw rondom met een pregnante gootlijst kon bekronen. Het schuine dak was een puur functioneel element, en misschien had men wel een platdak gemaakt als die techniek toen voor handen was. Dit is geen pleidooi voor het toepassen van platte daken in de Binnenstad, maar ook met een platdak zou je goed kunnen aansluiten op het bestaande.

4.4.b. Nieuwe bebouwing op plaatsen, waar geen bebouwing stond, moet eveneens voldoen aan het bepaalde in lid 4a en, voorzover dit onvoldoende duidelijkheid geeft, in maat, schaal en materiaalgebruik zoveel mogelijk aansluiten op bebouwing in de naaste omgeving.

Waneer sluit iets aan? Als het hetzelfde is?
Kan iets aansluiten als het precies het tegenovergestelde is?
Denk hierbij aan onze dagelijkse beslommeringen van het uitzoeken van kleding. Hebben wij niet vaak kleding aan die wel bij elkaar past, aansluit, maar zeker niet van dezelfde kleur en dezelfde snit is?
Gebouwen kunnen goed bij elkaar passen zonder eenduidig te zijn.

Concluderend, er valt zeker het een en ander aan te merken op deze regels, maar het is geen excuus voor het slappe aftreksel van monumenten dat wij vaak voorgeschoteld krijgen bij de realisatie van nieuwbouw projecten in de Binnenstad.

Het verankeren van een ontwerp
Een van de belangrijkste aspecten bij het bouwen in een historische omgeving is dat de ontwerper zich realiseert dat zijn toevoeging onderdeel is van een groter geheel. De ontwerper dient zich bescheiden (niet nederig) op te stellen. Het gaat niet om zijn kunstje, maar om hetgeen de plek vraagt.
Dit geldt voor architectuur in het algemeen, eigenlijk is er geen verschil tussen restaureren, renoveren en nieuwbouw, alleen is er bij restaureren al heel veel aanwezig waar je rekening mee moet houden.
Ieder ontwerp speelt zich af binnen een bepaalde cultuur, landschap, (stedelijke) structuur en verhouding. Hier dient een ontwerper zich voortdurend van bewust te zijn. Door te reageren op deze aspecten is de kans groter dat het ontwerp zich in de omgeving zal verankeren en onderdeel zal gaan vormen van het grotere geheel.
De onderstaande citaten ondersteunen de bovenstaande gedachte.

Of hij nu een monument onder handen heeft of een stukje bouwgrond, er is altijd een verhaal over te vertellen. Lastig, maar ook mooi. De geschiedenis van de plek geeft nieuwbouw al betekenis nog voordat hij in gebruik is genomen. Dat krijgt de architect er gratis bij. Als de ontwerper op een zinnige manier weet om te gaan met de erfenis van de plek, kan dat een grote meerwaarde opleveren voor een nieuw ontwer. (Dorine van Hoogstraten, architectuurhistoricus, column in Architectuur NL, 08-2008).

... the true client for any building is the place in which it sits, and that the architectural response thus becomes not merely site specific, but an absorption and reflection of cultural, economic and sociological influences. Adopting this approach has at least one major benefit: it acknowledges history rather than denying it, and in so doing makes a constructive proposition about identity in a wider context than built form alone (Paul Finch, editor, Architectural Review 03-2008 blz 29)

Aan de hand van beelden zal getracht worden het bovenstaande duidelijk te maken. Dit zal gebeuren vanuit een aantal thema’s:
- materialisatie
- bescheidenheid ontwerper
- (stedelijke) structuur
- schaal en verhouding
- consolideren versus reconstrueren
- techniek
- durf

Tot slot
Als architect ben je voortdurend bezig om een bepaalde beleving te creëren. Bij monumenten moet je deze beleving soms restaureren omdat het door verval verloren is gegaan. Het restaureren van deze beleving is meer dan het behouden en of terugbrengen van oude materialen en details, het is het terugbrengen of in takt houden van typologie, structuur en verhoudingen van het monument.